Jouw situatie
Jij zei: ze zijn het met je eens, en ze doen er niets mee.
Jij zei: er komt een tegenargument, en daarna nog een.
Jij zei: ze luisteren beleefd en kiezen wat ze al van plan waren.
Jij zei: je hebt van alles gedaan, en het blijft zoals het was.
En je wilt vooral de top overtuigen. Daar concurreert jouw verhaal met alle andere voorstellen op de agenda.
En je wilt vooral collega's overtuigen. Zij horen jouw verhaal tussen hun eigen werk door.
En je wilt vooral klanten overtuigen. Zij vergelijken jouw verhaal met niets doen.
Gelijk krijgen en gedaan krijgen zijn twee dingen.
Je hebt hun hoofd overtuigd. Wat ze daarna doen, hangt af van wat makkelijk is, wat collega's doen en wat er al gepland staat. Daar gaat jouw verhaal nog niet over.
Sluit morgen je verhaal af met één concrete stap die iemand ter plekke kan zetten. Maak die stap klein.
Elk argument roept een tegenargument op.
Wie voelt dat hij overtuigd moet worden, gaat zijn eigen keuze verdedigen. Met elk nieuw argument van jou wordt dat sterker. Het gesprek gaat dan over wie gelijk heeft, en niemand beweegt.
Stel morgen een vraag waar je een argument wilde geven: wat zou er voor jou moeten kloppen om dit te doen? Luister naar het antwoord en bouw daarop verder.
Ze hadden al gekozen voordat jij begon.
Mensen houden vast aan wat ze kennen. Wat ze nu doen werkt goed genoeg, en iets nieuws brengt risico mee. Tegen die gewoonte legt een goed verhaal het af.
Zoek morgen uit wat hun huidige keuze voor hen prettig maakt. Laat in je volgende verhaal zien dat ze dat niet kwijtraken.
Je hebt steeds harder geduwd. Wat tegenhoudt, staat er nog.
Uitleg, argumenten en druk werken allemaal aan dezelfde kant: ze duwen. De twijfels en de gemakken die mensen bij het oude houden, blijven staan. Zolang die er staan, levert harder duwen vooral meer tegendruk op.
Plan morgen geen nieuwe actie. Breng eerst in kaart wat mensen tegenhoudt. Daarna weet je wat je weghaalt.