Jouw situatie
Jij zei: ze zeggen toe, en het komt te laat of niet.
Jij zei: ze verwijzen naar hun eigen leidinggevende of prioriteiten.
Jij zei: je doet het uiteindelijk zelf.
Jij zei: je hebt van alles gedaan, en het blijft zoals het was.
En je hebt vooral andere afdelingen nodig. Zij worden op hun eigen doelen afgerekend, en jouw vraag staat daar niet bij.
En je hebt vooral mensen boven je nodig. Voor hen is jouw vraag er één van veel.
En je hebt vooral projectleden nodig die bij een ander horen. Hun eigen manager bepaalt wat voorgaat.
Een toezegging concurreert met alles wat wél moet.
Wie ja zegt tegen jou, zegt dat naast het werk waar zijn eigen leidinggevende naar vraagt. Als het druk wordt, valt af wat niemand controleert. Met onwil heeft dat weinig te maken.
Vraag morgen bij je volgende verzoek wanneer het klaar is en wat ervoor moet wijken. Maak het daarna zichtbaar: een naam en een datum op een plek waar anderen het zien.
Wie naar zijn baas verwijst, zegt wat hem bindt.
Mensen doen wat hun omgeving van hen vraagt: hun manager, hun doelen, hun team. Jouw vraag past daar nog niet in. Aandringen verandert die omgeving niet.
Zoek morgen uit waar deze persoon op wordt afgerekend. Laat zien hoe jouw vraag daaraan bijdraagt, of regel dat zijn leidinggevende er ook om vraagt.
Zelf doen is je makkelijkste weg geworden.
Vragen kost moeite en levert onzekerheid op, zelf doen gaat sneller. Zo leert iedereen om je heen dat wachten werkt. Je invloed wordt daar kleiner van.
Kies morgen één taak die je niet zelf oppakt. Vraag hem aan één persoon, met een reden die voor hem telt, en wacht.
Je hebt steeds harder geduwd. Wat tegenhoudt, staat er nog.
Uitleg, argumenten en druk werken allemaal aan dezelfde kant: ze duwen. De twijfels en de gemakken die mensen bij het oude houden, blijven staan. Zolang die er staan, levert harder duwen vooral meer tegendruk op.
Plan morgen geen nieuwe actie. Breng eerst in kaart wat mensen tegenhoudt. Daarna weet je wat je weghaalt.